Winnaar Klaas Dijkstra Academieprijs 2016

Verdorie zijn het toch de geraniums geworden!

Wat betekent het niet meer herkent te worden, de eerst vanzelfsprekende eenheid van binnen- versus buitenkant steeds meer kwijt te raken? 
Gesprekken met 80 plussers over de rol van de geest in een ouder wordend lichaam gekoppeld aan een liefdesgedicht van de Drentse dichter Peter van der Velde.
Onderzoek tijdens expositie in K38 in Roden 10/11/2018 – 02/12/2018

Installatie – constructie, video, geluid, collages, licht

De installatie als mijn 3D schetsboek, een onderzoek waar ik letterlijk in kan en mij in kan bewegen, video, geluid en gesprekken aan kon toevoegen. Ieder gesprek, elke dialoog zorgde voor een verandering in de installatie. 

Met bezoekers van de galerie, veelal mensen in een ouder wordend lichaam, kon ik in dialoog gaan over dit onderzoek.

Bij het binnengaan van de constructie, met zaklamp, dit onderzoek schuif ik het zwarte plastic opzij en loop door, beweeg mij door de slierten die in de donkere ruimte hangen. De zwarte slierten waartussen ik gedurende de 4 weken zoveel gesprekken heb gevoerd. 

Direct om de hoek het gedicht van Peter van der Velde dat ik zo vaak heb voorgelezen aan de bezoekers:

wai

doe en ik

en ik en dai

wai

de boom rekt zo hoog

en de vogel vlag hoog.

en hoog aan de lucht gaan de wolken voorbij

maar hoger dan wolken en vogels gaan wai

doe en ik

en ik en dai

wai

Het gedicht dat ik als verwijzing, metafoor heb gebruikt naar de jeugd, het jong zijn. De periode dat lichaam en geest als een geheel ervaren worden en men er nog geen weet van heeft dat lichaam en geest als gescheiden ervaring kunnen worden.

 

De installatie - beschrijving

Een ruimte voor gesprekken, in het donker, met zaklamp. Een ruimte om in te dwalen terwijl slierten papier een moeiteloos lopen verstoren en tegelijkertijd langs gezicht en lichaam glijden.

‘Ik zie mijzelf nog zo 

op de fiets langs de dijk

en voor mijn ogen ontvouwde 

zich dat panorama.’

Eva 83

Wanneer ik bezig

blijf voel ik mij weer

mijzelf.

Greet 89

In mijn hoofd ben ik jong

De rest ik kapot.

Jan 95

Bij binnenkomst het gedicht, net zoals te zien op de buitenzijde van de ruimte. Eronder een foto van mijn vader op ongeveer 6-jarige leeftijd met zijn zus. Lachende kinderen, als visueel metafoor voor het ‘wai’.

Tijdens de gesprekken met mijn gesprekspartners vertelden zij mij dat men , nu als 70 plussers, niet meer hén zagen, maar alleen hun oudere lichaam.

Ze voelden zich niet langer herkent als degene die zij zijn, die zij nog steeds ervaren in het binnenste, degene die zij altijd waren. Die is alleen nog voelbaar, niet meer zichtbaar. De daaraan gekoppelde betutteling wordt als ongelooflijk vervelend en hinderlijk ervaren.

Verder dwalend, een schilderij van 1949, een landschap waar de vogels zo vrij in vlogen. Met in de hoek dezelfde foto, mijn vader en tante kleiner in beeld. Deze foto komt door de hele installatie herhaaldelijk terug.

Een verbrand stuk papier, ouderwets handschrift, gevonden op een stapel afval op straat. Het lijkt op een oud kasboek waar met veel zorg bedragen en namen staan geschreven.

Mijn manshoge collage van karton die een gebogen oudere heer verbeeldt.

Gesprekspartners vertelden mij over de hinderlijke betutteling, in de regen aan de rand van de straat staan en ongevraagd geholpen worden over te steken.

Bij de oogarts zijn die op twee hogg zit, en onderaan de trap gevraagd worden ‘of het wel wil lukken met die twee trappen’.

Een (zinloos) ronddraaiende pijl.

En op de wand, voor bezoekers, zeer herkenbare citaten van enkele van mijn gesprekspartners.

 

Op deze laatste uitspraak ben ik vrij gaan associëren: de vellen papier hanger er. De onmacht met de gepresenteerde situatie, het onvermogen daar verandering in te brengen.

De video die een video installatie laat zien. De wand waarop hij geprojecteerd wordt heeft verstoringen; papiersnippers die het beeld lijken te defragmenteren, versnipperen. Een zwart geschilderd vlak waarop meeuwen in de lucht te zien zijn.

De instructievideo uit de jaren 50 die spreekt over emoties, eroverheen een projectie van vogels in de lucht de verwijzing naar het gedicht van Peter van der Velde.

Een spiegel met het woord wai zichtbaar in het stof, een flikkerende sokkel met een bel erboven.

Op de laatste wand mijn vraag; hoe ga ik conclusies en vragen verwerken? Is het zelf weer zichtbaar te maken? Kan het weer gezien en herkent worden? De bezoekers gaven mij een opdracht om door te gaan dit onderzoek om te zetten naar een missie om de mens in het ouder wordend lichaam weer zichtbaar te maken. Zichtbaar voor anderen.

Citaat van Hannah Arendt op de wand, zichtbaar bij het verlaten van de installatie:

De wil : ons mentaal orgaan voor een toekomst die in principe onbepaalbaar is en daarom een mogelijke voorbode voor het nieuwe.” Uit het boek Willen

"Ik wil nog zo veel, maar mijn toekomst en de mogelijkheden zo heel klein zijn geworden"
gesprekspartner, 90 jaar